Hoofdpagina

 

 

 

 


Bloete- of Bloote Kempke

Bij het onderzoek naar de betekenis van het toponiem “Bloete Kempke” of “Bloote Kempke” in het “Roermondse Veld” komen we in het kadasterboek onder “plaatselijke benaming” beiden toponiemen tegen.
Op de kadasterkaart E 117 (zie hieronder) uit 1843 staat echter “Bloete Kampke”.
Dit “Kempke” of “Kampke” ligt aan het einde van de weg naar het “Gebroek”.
Bij raadsbesluit van 5 februari 1916 werd dit de huidige “Emmalaan”.
Deze laan ligt nu ingesloten tussen de “Hendriklaan” en de “Kapellerlaan”


Het “Bloete Kampke” ligt o.a. omgeven door “Den Galge Berg”; “Richters Dael”; “Op den Knipe Berg” en een “Kerkhof”. Indien men deze namen leest, past “Bloete Kampke” oftewel “Bloedtkamp” uitstekend in dit rijtje. Zeker indien men weet, dat langs de Emmalaan vroeger tevens de “Wolfskuil” lag.

Gerard Krekelberg schreef in 1931 (in de Nedermaas) een artikel met als titel:
“EEN BOUWTERREIN MET MERKWAARDIGE VOORGESCHIEDENIS”
Hierin maakt hij melding van o.a. “Bloet- of Bloetekamp”, en “Bloedtkamp”

Ik citeer een stukje uit dit artikel van augustus 1931 (blz. 51)
Nog vinden we in de “Wandelingen ter opsporing van Romeinsche legenden” van Heldring, dat in Holland eveneens tegenover hofsteden stukken land liggen, die nog uit de eerste tijden den naam van Bloed-, Moord- of Offerakker dragen, en dat aan die hoven nog wel eens een bijzondere “bloed-tiend” verbonden is, zooals: een kalkoen, eene gans met zilveren penning, enz.

Dit lezende, lijkt alles overduidelijk. We vinden hier alle ellende bij elkaar.
Een Gerechtsplaats, Moord, Wolven, Bloed, Galg, en tot slot een Kerkhof.
Van Beurden noemt het “Richterdal” zelfs het “Jammerdal”. Dat in deze buurt gejammerd werd, is overduidelijk. Maar ik betwijfel, of het de betekenis van dit toponiem is.

Laten we eens het Roermondse archief in duiken. Kijken of we nog iets vinden.
In dit archief bevinden zich onder andere de overdrachten van 1690 t/m 1796.
Van deze overdrachten is een inventaris gemaakt, op straten; toponiemen etc.
In deze periode van een dikke 100 jaar, komt de naam “Bloete- of Bloote Kempke” niet voor! Zelfs niets, wat er ook maar op lijkt.

Maar 13 augustus 1716, komen we het “Blaete Straatje” tegen, en 20 september 1731 komen we het “Blaate straatjen” tegen. Waarschijnlijk hetzelfde straatje.
We vinden beiden terug, onder de kolom: Roermondse Veld.
Zou het “Blaete Straatje” in of bij het “Bloete Kempke” hebben gelegen?
Het verschil tussen “Blaete” en “Bloete” is slechts één letter. De “a” is een “o” of omgekeerd.

In een inventaris betreffende de Regesten 3, welke véél ouder zijn, komen we onder de kop: Aan O.L. Vrouw in ’t zand: “De Blaeten (melaatsen)” tegen.
Geeft dit aan, dat “Bloete Kampke” een verschrijving is, en moet zijn: “Blaete Kampke” ? En was er een verband tussen “Kapel in ’t Zand” en de melaatsen?

Dat de stad Roermond, voor hun melaatsen, een plek zocht, ver buiten de stad-muren is duidelijk. 8 maart 1488 (reg.910) is er reeds sprake van een melaatsen-huis gelegen op den Dycke buiten de “Nijerporten” (Voorstad St. Jacob).
In regest 720, van 23 maart 1487 verkoopt Metken van Echt (melaatse) een halve beemd gelegen op de dijk buiten de Nielerpoort. Dat “Nielerpoort een verschrijving is, en Nijerporten moet zijn, zal duidelijk zijn.
Dit geeft aan, dat melaatse(n) reeds land in de Voorstad St. Jacob bezaten, voordat er in het oude archief sprake is van een melaatsenhuis.

Ook de plaats, (Blaete Kampke) ver van de stad gelegen, bijna bij de grens Melick-Herkenbosch met Maasniel en Roermond, ligt natuurlijk ideaal, om hier een melaatsenhuis oftewel een leprozenhuis te runnen.

J. Rats schrijft in zijn boek: DE LIEVE VROUW IN ’T ZAND (blz. 39) het volgende:
Ook de melaatschen van het Zand moeten tot de eerste vereerders der L. Vr. in het Zand gerekend worden.
Reeds vroeg in de middeleeuwen had ons land zijne melaatschen. Zelfs had Maastricht reeds in 633 zijn melaatshuis. Ook Roermond had zijn melaatschen-huis. We vinden het voor het eerst vermeld in de Roermondsche Kroniek in 1578, waar tevens wordt gezegd, dat het lag bij O. L. Vrouw in ’t Zand, terwijl uit een bericht van 1613 blijkt, dat het lag dicht bij de gerechtsplaats. Wij gelooven, dat pater van Krugten niet ver van de waarheid is, als hij zegt, dat het leprozenhuis lag misschien waar thans het kerkhof is. Dicht daarbij werd later de woning der kluizenaars gebouwd, die overeenkomstig het reglement, hun door Mgr. Cools in 1684 gegeven, desgevraagd ook de melaatschen moesten verplegen. (zie in dit artikel: “de kluizenaars der Lieve Vrouwe in ’t Zand”)

Ofschoon wij eerst in 1578 van het melaatschenhuis melding vinden gemaakt, moet het toch wel reeds te voren bestaan hebben, want in 1579 vinden we in de stadsrekeningen, dat er reeds reparatiën aan het melaatschenhuis waren gedaan. (4 januari 1578 was er in het melaatsenhuis brand geweest i.v.m oorlog)

De éérste gegevens over het leprozenhuis etc. bij de kapel

6 januari 1558: (Regest 3408) Burgemeesteren, schepenen en raad verkopen uit de stads gemeente achter de landweer bij het leprozenhuis 443 roeden land etc. De verkoop geschiedde met toestemming van werkmeesters en gezworenen aan Jacop Claessen zoon van Muggenbroeck

28 maart 1559: (Regest 3547) Jacob van Muggenbroech en vrouw verkopen uit 4 morgen bij de leprozen achter de landweer etc.

14 januari 1563: (Regest 3970) Jacob van Muggenbroick en Encke, echtel., verkopen een land met een huis daarop bij OL Vrouw in ’t Zand tegenover de melaatsen, naast de heide, zoals zij dat gekocht hebben van de stad Roermond en het huis daarop gebouwd, aan Peter Huyben en Trijne, echtel. Etc.

26 januari 1567: (Regest 4254) Peter Huben en Trine, echtel., verkopen uit 4 morgen land met huis en hof aan OL Vrouw, tussen de Blaeten en de landweer

Ergens tussen 1488 en 1558 heeft een verplaatsing van het melaatsenhuis plaats gehad van de Voorstad St. Jacob, naar de buurt genaamd: “Kapel in ’t Zand”.
Dit verklaart dan ook de stadsrekeningen van vóór 1578.

(J.Rats gaat verder)
Het melaatschenhuis lag dus in de schaduw der Kapel. Zeker, de ongelukkigen, die daar hun verblijf hielden, mochten niet binnengaan in het kleine heiligdom, vooral niet als daar de enkele omwonenden of de samengestroomde pelgrims verzameld waren om den dienst bij te wonen. (In 1574 en in 1615 verscherpte de magistraat de bepalingen hieromtrent)

NB. Lagen bij het melaatsenhuis grote stapels eikenhout, dan betekende dit, dat er spoedig heksen verbrand werden. Het hout kwam uit de Elmpter bossen, op verzoek van de scholtis.


Gegevens uit de Donderdagse Protocollen

Naar Keulen (Coln) voor keuring of mate van melaatsheid etc.

10 Mei 1607: Mercken Frencken, voornemens zijnde naar Coln te gaan om zich wegens melaetsheit te laten keuren, wordt tot een aalmoes gegeven 6 walen en een schrijven aan de visatoren

27 Juli 1628: Jan van Hove, melaet, zal binnen een maand tijds naar Keulen gaan en van daar bescheid brengen, hoe het met zijn ziekte staat. Reglement op vreemde Melaeten. De stadsmelaeten zullen alleen des Woensdags en des Vrijdags mogen omgaan. Zij waren voorzien van een “Lazarus” klep.

Dagen dat men de stad in mocht voor een aalmoes

15 Juni 1600: De Melaeten van der stadt Melaetenhuisz zullen alleen des Zondags, Woensdag en Vrijdags in de stad, om een almoes rond mogen gaan. Den melaet van Berg, Peter Hovel toegestaen ’s Maandags rond te gaan.

27 Juli 1628: De stadsmelaeten zullen alleen des Woensdags en des Vrijdags mogen omgaan.

9 October 1636: Gezien de onvermogendheid van den Melaet Heijn aengen Heijcamp, van zijn huisvrouw en dochter geeft de Magistraat hem verlof om Donderdags almoezen te komen vragen.

10 Maarts 1639: Geene vreemde Melaten binnen de stad om aalmoezen in te zamelen, als eens in den veertien dagen op Donderdag.

Wetten of Mettien Ro(n)(u)ckers

10 Maart 1616: Wetten Rouckens verzoekt een plaats in het Melaathuis. De magistraat vraagt, waar zij de melaatsheid kreeg en verwijst haar dáár heen.

30 October 1621: Mettien Ronckers “altijd burgerlich en ehelich getogen”, wordt eene vacerende plaats in het Melaetshuis vergund.


Gerard(t) Gerrit van Neer (Nehr/Nher/Hehr)

2 Mei 1602: Gerardt van Neer, melaet, wordt op zijn rekest om glazen in de stad in te zetten, negatief geantwoord, “und datt ehr sich seiner kranckheit, daermitt ehr van Godt verzocht is geweest, halden zael.”

21 Februari 1609: Aan Gerrit van Hehr, die om een plaats in ’t melaetshuis vroeg, wordt eene plaats toegestaan.

7 Juli 1611: Op het rekwest van Gerardt van Nehr, melaet, verzoekende dat vijfde deel van Melaetenhoff voor zijn kind, “soe ouck melaetsch” geantwoord dat zij zich met het 4e deel van den hoff gelick andere zal behelpen.

A.F. van Beurden schrijf o.a. “Zij waren saamgebracht in het melatenhuis, waarin vijf huisjes of woningen waren”
Zouden er 7 juli 1611 nog maar vier huisjes geweest zijn? Misschien omdat er minder melaatsen waren?

22 December 1616: Aan Gerard van Nher, den melaatsche wordt voor zijner afgestorvene kinderen tot doodskisten geschonken 1 rijksdaalder.

Gegevens betreffende Swalmen

28 Augustus 1636: Op het rekest van de Melaeten woonende te Swalmen, geantwoord dat ieder stad en dorp hare melaeten zal dienen te onderhouden.

9 October 1636: Gezien de onvermogendheid van den Melaet Heijn aengen Heijcamp, van zijn huisvrouw en dochter geeft de Magistraat hem verlof om Donderdags almoezen te komen vragen.

5 September 1686: Geertruyd Hermans, Lazarinne (melaatsche) zal haren man naar Swalmen volgen en zal dan binnen deze stad om aalmoezen mogen gaan.

Vreemde Melaatsen

23 October 1628: Melaatsen te weren aan de poorten.

27 Juli 1628: Reglement op vreemde Melaeten.

10 Maarts 1639: Geene vreemde Melaten binnen de stad om aalmoezen in te zamelen, als eens in de veertien dagen op Donderdag.

3 November 1661: Den vele vreemde Melaatschen, die hier bedelen, waardoor de portien voor de schamele armen te kleiner vallen, wordt verboden, dat zij zonder permissie omgaan!

12 Juli 1672: Resolutie tegen de vreemde melaten en bedelaars.

Melaetseordteningh, verordening en ordonnantie

17 Februari 1611: Michel de Villers verzoekt recompense voor het copieeren van de Melaetseordteningh in ’t land van Gulick; hij krijgt 2 gl.

28 November 1686: Vernieuwing der melaetschen verordening dd. 27 Juli 1628.

22 April 1681: De ordonnantie op de melaatschen zal vernieuwd worden.

De oudste verwijzing in de Donderdagse protocollen

13 Maart 1597: Aan Melvusz van Oell, die “van Godt mit der vuijtsetticheit heim gesocht” een plaats in het Melatenhuis.

Blaete in de betekenis van melaatse

6 Juli 1690: De Blaete vrouw (melaatsche) in het stadshuisken bij den Godsbongaert, zal binnen 24 uur de stad moeten verlaten.

Blaete met een andere betekenis

5 Augustus 1621: Gerrit en Jan de Blaeten gent Holtsnijder, looiers genoemd; de laatste heeft een burgervrouw getrouwd, waarom hij nevens de anderen een kuip bij den Blaet- (vellenblooterij) huis gelegen, zal gebruiken.

Hier ziet men, dat Jan de Blaeten niet melaats was, echter een vellenblooterij had. Héél belangrijk de link tussen “Blaete” en “Bloote”


De “Kluis” in Beek, en de “Kluis” aan “Kapel in ’t Zand”

Prof. Dr. Schrijnemakers schrijft in het artikel “De Kluis van 1699 tot 1948”

Ofschoon er heel wat informatie over melaatsheid gedurende de voorafgaande eeuwen in onze streken bekend is, en in Beek zowel de Bloote(n)weg (=Blaetenweg) als de Siekendaalstraat aan het verblijf van melaatsen aldaar herinneren, was die ziekte tegen 1700 reeds nagenoeg uit onze contreien verdwenen.
Hier zien we wéér het woord “Bloote” terug, met de vermelding =”Blaete”.
Dit betekent, dat het Roermondse toponiem “Bloote Kempke” oftewel “Bloote Kampke” zal zijn. In het Limburgse Beek, komt dit toponiem ook voor.

Rats schrijft: De Kluizenaars der Lieve Vrouwe in ’t Zand.
Waar thans op de weg van de Kapel naar het kerkhof het zoogenaamde “huis met de steenen trappen” staat, daar stond sinds het einde der 17de eeuw een kluis, die door den magistraat der stad gebouwd was van de aalmoezen der pelgrims, waarover de stad het beheer had, en waarin vrome mannen zich als kluizenaars van de wereld terugtrokken om in gebed en boete geheel voor God en de eeuwigheid te leven. Van zes dier kluizenaars zijn ons de namen bewaard gebleven; veel anderen zijn er ook wel niet geweest.



“Huis met de steenen trappen” (Herkenboscherweg nummer 1)

De eerste, die de kluis bij de Kapel betrok, was Peter Spooren, die den 26ste Juni 1696 met goedkeuring van Mgr. Cools, bisschop van Roermond, kap en kluizenaarshabijt aannam, en uit handen van zijn bisschop een in zes punten verdeelden levensregel ontving. (De uit 1684 stammende regels geven aan, dat ze de melaat-sen moesten verplegen, indien dit hen gevraagd werd)

Toen dan in 1739 de laatste kluizenaar gestorven was, besloot Mgr. Sanguessa
de kluis, die reeds teekenen van verval begon te vertoonen, te herstellen, den tuin met een heg te omgeven en aldus te voorzien in een behoorlijke woning van den te benoemen rector. En hiermede kwam een einde aan de geschiedenis der kluizenaars van O.L. Vrouw in ’t Zand.

Rond 1890, vestigt zich hier beeldhouwer H. Te Riele, die hier later een café-restaurant begint.

Onbekende Clouse of Cloese (Kluis?) op den (hoogen) kerkhof
1 December 1611 krijgt Stijn van Beek, wonende “in de clouse op den hoogen kerkhoff” zes gangen kolen. Op 4 Maart 1627 Aeltgen Thielen, weduwe Mathis Hermans, vergund de woning des huijskens of Cloese op den kerkhof.

T.a.v.: de “clouse op den hoogen kerkhoff” kunnen we nog melden, dat H.J. van der Borgh in het artikel
“De Galgenberg was dé executieplaats van Roermond” (zie deze site) het volgende schrijft:
“Dat de veroordeelde na hun executie geruime tijd aan de galg bleven hangen blijkt eveneens uit een archiefstuk daterende uit 1724, waarin wordt gesproken over “de kitsenberg omtrent de Kapelle in ’t Zand” Na geruime tijd te zijn tentoongesteld, werden de kitsen” (lijken in vergaande staat van ontbinding) vervolgens begraven “op den hooge kerckhoff” , ten noorden van de Galgenberg”
Ten noorden van de Galgenberg bevindt zich het tegenwoordige “Oude Kerkhof”. Er staat dus al in 1611 een “clouse” op het Oude Kerkhof. Van der Borgh schrijft verder, dat er vóór 1785, in de nabijheid van de Galgen-berg, een joodse begraafplaats was gesticht. In Reg. 1446 van maart 1494 wordt melding gemaakt van “het jodenkerkhof in Roermond. Is hier sprake van het tegenwoordige “Oude Kerkhof” ?

Dat deze ziekte vóór 1700, (evenals de regio Beek) uit Roermond verdwenen was, is mogelijk. In een regest van 28 juni 1674 is sprake van:
“landerijen in het Roermondse veld, aan de Wolfskeel, in het O.L. Vrouweveld, bij het voormalig Blaethuijs, etc.(met dank aan Loe Giessen)
Op 6 juli 1690 verblijft een melaatse in het stadshuisken bij de Godsbongaert.

Na bovenstaande gelezen te hebben, is het logisch, dat in de overdrachten van 1690 tot 1796 slechts 2 gegevens te vinden waren. Het betrof geen aanwijzingen t.a.v. het “Kempke” of “Kampke” maar de sleutel tot de oplossing gaf het woord
“Blaete”.

De enige verwijzing naar “an den Bloeten” geeft het regest van 1 dec. 1569:
Trijn van Muggenbroeck draagt over haar vruchtgebruik op huis en hof aan OL Vrouwe aan haar dochter Merrie, die uit dat goed “an den Bloeten”, tussen erven van Itgen Schepers en den Bloeten 7 ½ gld brab jaarrente aan broeder Symon van Beesel, losbaar met 150. (Hoofdger. 311 fol 221)

N.B. In 1822 is een gedeelte van het “Bloete (Blaete) Kampke” eigendom van
het hospitaal Roermond.

Waar ligt tegenwoordig “Bloote Kempke” , en het “Blaete straatje
De plek waar in 1558 (of vroeger) de melaatsen naar toe konden, lag op het tegen- woordige oude kerkhof.
Rats schrijft: In 1785 werd het groote nieuwe Roermondsche kerkhof op het oude “Bloedkamp” niet ver van de Kapel aangelegd.
(De vrouw van Christianus Beurskens is 16 juni 1786 als laatste “aan” de Kapel in ’t Zand
dus niet in, maar naast de kerk begraven)

We weten nu echter, dat dit foute toponiem, “Bloote Kempke” moet zijn.
Het gebied, waar het tegenwoordige oude Kerkhof ligt, ingeklemd tussen de Herkenboscherweg; de weg langs het Kerkhof (de IJzeren Rijn), en het Schoolpad geven grofweg de ligging v/h “Bloote Kempke” met het “Blaete straatje” aan.


Luchtfoto (1934) uit het boek: “OUD ROERMOND VANUIT DE LUCHT”

De Herkenboscherweg vanuit het Kerkhof richting Kapel.
Links van het witte huis de “Kluis”, oftewel de “kluizenaarswoning”

Op deze historische site vinden we nog enige gegevens over de melaatsen.

Lepra en cholera
Een andere veel voorkomende ziekte was melaatsheid, ofwel lepra. Ook voor melaatsen trof men speciale voorzieningen die tot bijna totale afzondering van de patiënt leidden. Roermond had een melaatsenhuis en het stadsbestuur bepaalde wie erin mocht wonen. Melaatsen werden iets minder van de buitenwereld geïsoleerd dan pestlijders. Ze mochten op woensdag, vrijdag en zondag samen in de stad komen en dan als groep om aalmoezen vragen. Als ze door de stad liepen moesten ze verplicht een klep(ratel) gebruiken. Wie de melaatsen wilde ontwijken kon zich dan omdraaien of een straatje omgaan.

Wist u, dat melaatsen niet door smalle straatjes mochten lopen, daar ze anders
te dicht bij de andere mensen zouden komen. En om de andere hierop te atten-deren, moesten ze verplicht een (melaatsen of leprozen) klepper ofwel een klik-spaan gebruiken, om hoorbaar te maken, dat ze eraan kwamen.
“Klikspaan boterspaan, je mag niet door m’n straatje gaan”, is hiervan afgeleid.


Melaatse met “klikspaan”

Op de valreep nog een héél mooie kaart uit 1790 gevonden. (inv. nr. 458)
En wat we nog misten, komen we op deze kaart tegen. Het “Bloote straatje”
Zoals u ziet, ligt dit straatje tussen de “Bloote Kamp” en “den Müse Berg” in.
Halverwege doorkruist een “voetpaat”(de Gebroekerweg later Emmalaan) het straatje.
Vreemd, dat bij de verklaring der letters toch weer “Bloete Campke” staat, en
dat “Schutte kampe” als toponiem bij de letter “D” zou moeten liggen. Het zou natuurlijk wel uitstekend in het rijtje van de andere toponiemen passen.
Linksboven op de kaart, de “Keulsche Bane” wat gedeeltelijk Herkenboscher-weg wordt. Het andere deel van de weg heet “De weg langs het Kerkhof”.

De kaart uit 1790 met links het “Bloote Straatje”

Bij het lezen van bovenstaand artikel, moet ik toch erkennen, dat het toponiem “Bloete Kampke”, waarschijnlijk géén verkeerd toponiem is.
Eén december 1569 is er reeds sprake van: “An den Bloeten” verwijzende naar de “Blaeten” = “melaatsen”, die er 6 januari 1558 (of vroeger) reeds vertoeven.
In het kadasterboek van 1843, wordt “Bloete Kempke” en “Bloote Kempke”, naast elkaar, op dezelfde pagina, gebruikt.
Dan het gegeven, dat “Blaeteweg” en “Blooteweg” dezelfde weg is.
Het “Blaete” of “Blaate” straatje(n) ligt er resp. in 1716 en in 1731.
Tevens komen we “Bloote” Kamp, en een “Bloote” straatje tegen.

We kunnen met zekerheid stellen dat “Bloete” als “Bloote” en “Blaete”, alle 3 voor hetzelfde “kamp”, respectievelijk “straat”, en “huijs” werden gebruikt.
“An den Bloeten” heeft echter de oudste (1569) rechten. Alles heeft betrekking op het gebied, in het “Roermondse Veld” waar nu het “Oude Kerkhof” ligt.

Ruud Lamboo-Louwarts
Met dank aan Charlotte Ruijs